Officiele publicatie

Regeling niet vrij toegankelijke jeugdhulp

Burgemeester en wethouders van Steenbergen:

In behandeling genomen Nadere regeling jeugdhulp d.d. 10 februari 2016

Overwegende dat de gemeenteraad op 23 oktober 2014 de verordening Jeugdhulp heeft vastgesteld.

Gelet op dat in artikel 4 van deze verordening is bepaald dat het college bij nadere regeling regels vaststelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening en dat het college daarbij aangeeft op welke wijze hij jeugdigen en ouders informeert over de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp te doen.

Overwegende voorts dat in artikel 5 van deze verordening is bepaald dat het college bij nadere regeling kan bepalen dat afgezien kan worden van het vastleggen van de aangeboden individuele voorziening in een afzonderlijke beschikking.

Besluiten:

Vast te stellen de navolgende Regeling niet vrij toegankelijke jeugdhulp:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder

  • a.
    gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 4 van deze regeling
  • b.
    melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling
  • c.
    hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet

Artikel 2. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag

  • 1.
    Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college.
  • 2.
    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.
  • 3.
    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.
  • 4.
    Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening.

Artikel 3. Vooronderzoek

  • 1.
    Het college verzamelt alle voor het onderzoek bedoeld, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
  • 2.
    Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
  • 3.
    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 4. Gesprek

  • 1.
    Het college onderzoekt in een gesprek tussen de jeugdprofessional en de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
  • a.
    de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
  • b.
    de concrete doelen die moeten worden bereikt om de jeugdige naar vermogen leeftijdsadequaat te laten functioneren in een steunend systeem;
  • c.
    het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
  • d.
    de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
  • e.
    de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;
  • f.
    de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
  • g.
    de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
  • h.
    hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en
  • i.
    de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
  • 2.
    In overleg met de jeugdige en zijn ouders kunnen desgewenst ook andere deskundigen aan het gesprek deelnemen.
  • 3.
    Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen, voor zover aan de orde, toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.
  • 4.
    In het gesprek maken de jeugdprofessional en de jeugdige en zijn ouders inhoudelijke afspraken om te komen tot een gezinsplan als bedoeld in artikel 5 van deze regeling.
  • 5.
    Het college kan in overleg met de jeugdige en zijn ouders afzien van een gesprek of anderszins afwijken van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 5. Gezinsplan

  • 1.
    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en gesprek, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van deze regeling en legt dit vast in het gezinsplan.
  • 2.
    In het gezinsplan worden, onder regie van de jeugdige en/of zijn ouders en met ondersteuning van de jeugdprofessional, de zorgvraag en de gezamenlijke doelen die worden nagestreefd in kaart gebracht. Afhankelijk van de aard van de problematiek wordt ook aandacht besteed aan het cliëntprofiel.
  • 3.
    Het college streeft ernaar dat:
    • a.
      het (eerste) gesprek binnen twee weken na de melding plaatsvindt;
    • b.
      de gesprekken over hetgezinsplan uiterlijk acht weken na het eerste gesprek worden afgerond.
  • 4.
    Het gezinsplan wordt door de jeugdige en/of ouders en de jeugdprofessional ondertekend.
  • 5.
    Indien in het gezinsplan afspraken worden gemaakt over niet-vrij toegankelijke zorg die zal worden geleverd door een externe zorgaanbieder stelt die zorgaanbieder in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouders zorg een arrangement op waarin de zorgintensiteit, de inhoud van de van de te leveren zorg en de wijze waarop de te verlenen zorg zal worden geëvalueerd, wordt beschreven.
  • 6.
    Het arrangement wordt ondertekend door de zorgaanbieder, de jeugdige en zijn ouder, wordt als bijlage gevoegd aan het gezinsplan en maakt hiervan onderdeel uit.

Artikel 6. Aanvraag en beschikking

  • 1.
    Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.
  • 2.
    Het college kan een door de jeugdige en/of ouders mede voor akkoord ondertekend gezinsplan aanmerken als een aanvraag als de jeugdige en/of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.
  • 3.
    Het college kan - mits sprake is van een door de jeugdige en/of ouders medeondertekend gezinsplan - beslissen dat volstaan kan worden met het toezenden van het gezinsplan op basis waarvan de individuele voorziening wordt toegekend.
  • 4.
    Het bepaalde in het derde lid lijdt uitzondering:
    • a.
      bij weigering van een gevraagde individuele voorziening;
    • b.
      indien de individuele voorziening bestaat uit de toekenning van financiële middelen zoals een PGB.

Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.
    Deze regeling treedt – na bekendmaking – in werking op 1 januari 2016.
  • 2.
    Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regeling niet vrij toegankelijke jeugdhulp 2016.

Steenbergen, 16 februari 2016

Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders voornoemd,

De locosecretaris , De burgemeester,

R.A.J.M. Bogers R.P. van den Belt MBA

Toelichting

Deze regeling voorziet in een nadere uitwerking van de niet vrij toegankelijke jeugdhulp in de situatie dat een rechtstreeks jeugdhulpverzoek bij de gemeente wordt ingediend.

Artikel 1. Definities

De definities van ‘gesprek’ en ‘melding’ zijn nodig omdat deze begrippen niet zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal spraakgebruik.

De melding is het eerste contact van jeugdigen en ouders met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding (artikel 2) is iets anders dan de aanvraag om een individuele voorziening; dit laatste is geregeld in artikel 6.

Het gesprek is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen.

Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in deze nadere regelingbeschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 4, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.

Artikel 3. Vooronderzoek

Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd.

Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.

Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.

In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit laatste is bepaald in artikel 6, derde lid.

Artikel 4. Gesprek

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige, zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.

In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt.

In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden.

In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. In onderdeel b wordt aangegeven dat de vraagverheldering moet leiden to concrete doelen die met bijdragen van het gezin, het ondersteunend netwerk, de jeugdhulpprofessional, overige voorzieningen en zo nodig de inschakeling van een jeugdhulpaanbieder leiden tot het bereiken van het gewenste resultaat.

In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.

Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zvw en een voorziening op het gebied van passend onderwijs.

Artikel 5. Gezinsplan

Uitgangspunt is dat de zorgvraagverheldering, doelen en bijdragen tot het behalen van het resultaat en de nadere afspraken over het vervolg worden vastgelegd in een gezinsplan. Indien wordt besloten tot niet vrij toegankelijke zorg wordt daarnaast het cliëntenprofiel bepaald en de verwachtingen die jeugdige, ouders en professional hebben ten aanzien van de te leveren zorg Tenslotte worden in het gezinsplan de afspraken neergelegd die zijn gemaakt over verwerken van persoonsgegevens en het moment waarop de voortgang van de ondersteuning c.q. zorg wordt geëvalueerd. Als de aanvraag leidt tot het inschakelen van een externe zorgaanbieder draagt deze zorgaanbieder in overleg met de jeugdige en ouders zorg voor een passend arrangement. Deze afspraken worden op hoofdlijnen vastgelegd in een door de gemeente beschikbaar gesteld format en door zorgaanbieder en jeugdige/ouders ondertekend. De zorg start vervolgens bij akkoordverklaring door de gemeente van dit ondertekende arrangement.

Met deze procedure wordt geborgd dat jeugdige, ouders, jeugdhulpaanbieder en jeugdhulpprofessional zich committeren aan de uitvoering van de gemaakte afspraken/ tussen jeugdige en college besproken individuele voorziening. Het spreekt vanzelf dat als zich tussentijds nieuwe feiten of omstandigheden voordoen in onderling overleg kan worden besloten tot aanpassing van het gezinsplan of arrangement.

In de Jeugdwet is in artikel 2.1. aangegeven dat jeugdige en ouders de mogelijkheid hebben om zelf een familiegroepsplan op te stellen waarmee zij zelf een inbreng kunnen hebben in de vorm waarin de jeugdhulp wordt geboden. Met het in gezamenlijk overleg opstellen van het gezinsplan wordt aan deze wens van de wetgever voldaan. Het spreekt vanzelf dat altijd de mogelijkheid blijft bestaan dat ouders in uitzonderlijke gevallen geheel zelfstandig – zonder hulp van de jeugdhulpprofessional- een familiegroepsplan kunnen opstellen.

Artikel 6. Aanvraag en beschikking

Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen.

In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af.

Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Beslistermijnen Awb

In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb).

Deze termijnen zijn maximimum termijnen. Indien nodig kan na een melding binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.

Om zowel voor de gemeente als de jeugdige onnodige administratieve handelingen te voorkomen en kosten te besparen, wordt het college in de leden 2 en 3 een bevoegdheid gegeven om in nader te bepalen situaties af te zien van zowel de verplichting om een formele aanvraag in te dienen als het afgeven van een individuele beschikking. De op basis hiervan opgestelde regeling zal zodanig worden ingericht dat in de meeste gevallen volstaan kan worden met het ondertekende gezinsplan. Het spreekt vanzelf dat wanneer de jeugdige of zijn ouders dat wensen, altijd (alsnog) een afzonderlijke beschikking wordt afgegeven.

In een beperkt aantal gevallen zal een afzonderlijke beschikking noodzakelijkzijn. Dit artikel regelt in welke situaties daar in ieder geval sprake van is en wat dan in ieder geval in de beschikking moet worden vastgelegd.